Bloedonderzoek

Bloedonderzoek wordt gedaan in de zwangerschap om ziekten bij je baby te voorkomen. Je baby zou ziek kunnen worden door schadelijke stoffen, bacteriën of virussen die zich in je bloed bevinden. Als het onderzoek uitwijst dat je baby kans heeft ziek te worden, is het vaak mogelijk om je te behandelen en zo je baby te beschermen. Bloedprikken bij voorkeur voordat je 13 weken zwanger bent.

 

Standaardonderzoek

  • Hemoglobinegehalte/ijzergehalte
  • Glucose nuchter
  • Bloedgroepen ABO
  • Rhesus D
  • Rhesus c
  • Andere antistoffen tegen rode bloedcellen
  • Syfilis (lues)
  • Hepatitis B
  • HIV

 

 

Hemoglobine/IJzergehalte

Met onderzoek naar het hemoglobinegehalte (Hb) van rode bloedcellen wordt nagegaan of je bloedarmoede hebt. Na de eerste controle en rond 27 weken zal het ijzergehalte geprikt worden. Afhankelijk van de hoogte van het ijzergehalte kan het vaker geprikt worden. Vermoeidheid, bleke huid en duizeligheid kunnen klachten van bloedarmoede zijn. Bloedarmoede is goed te behandelen met behulp van ijzerrijke voeding en/of medicatie. Dit is niet schadelijk voor je baby.

 

Glucose

Na de eerste controle en rond 27 weken zal de nuchtere suikerwaarde (glucose) geprikt. Sommige zwangeren zullen rond 27 weken een uitgebreide suikertest (OGTT) moeten laten prikken ivm bv BMI of etniciteit. Dit doen we om te beoordelen of je wel of niet zwangerschapsdiabetes ontwikkeld. Mocht de waarde verhoogd zijn kunnen we extra onderzoek inzetten en/of je doorverwijzen naar een diëtist en diabetes verpleegkundige.

 

Bloedgroep

Het is belangrijk je bloedgroep te weten voor het geval dat je een bloedtransfusie nodig hebt. De bloedgroep kan A, B, AB of O zijn. De meest bekende bloedgroep zijn die van het ABO-systeem (bloedgroep A, B, AB of O) en de Rhesus D-bloedgroep (positief of negatief). In totaal zijn er ruim 200 bloedgroepen bekend. Welke bloedgroep je hebt, is een kwestie van erfelijkheid, net als de kleur van je ogen en haar. Tijdens de zwangerschap krijgen 2 bloedgroepen speciale aandacht: de Rhesus D- en de Rhesus C-factor.

 

Rhesus-D-factor

De Rhesus-D-factor is een stof die in het bloed aanwezig kan zijn. Als je die stof in je bloed hebt, ben je Rhesus-D-positief. Heb je die stof niet, dan ben je Rhesus-D-negatief. 16% van de Nederlandse zwangeren is Rhesus-D-negatief. Een Rhesus-D-negatieve zwangere heeft echter wel bijzondere aandacht nodig om complicaties te voorkomen bij een eventueel Rhesus-D-positieve baby. Tijdens de zwangerschap is er namelijk een kleine kans dat er bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komt. Bij de geboorte is die kans zelfs vrij groot. Komt er bloed van een Rhesus-D-positieve baby in de bloedbaan van een Rhesus-D-negatieve moeder, dan kan de moeder afweerstoffen tegen dat bloed gaan maken. Deze zogeheten antistoffen kunnen via de navelstreng het bloed van de baby bereiken en afbreken, waardoor deze of een volgende baby bloedarmoede krijgt. Het is dus belangrijk om je Rhesus-D-factor vast te stellen. Er zijn twee mogelijkheden:

  • Als je Rhesus-D-positief bent, gebeurt er verder niets.
  • Ben je Rhesus-D-negatief, dan word je bloed in week 27 nogmaals onderzocht op eventuele Rhesus-antistoffen en wordt de rhesus factor van het kind bepaald. Is het kind rhesus positief dan krijg je vervolgens binnen een week een injectie met anti-Rhesus-D-immunoglobuline. De injectie zorgt ervoor dat de kans nog kleiner wordt dat je zelf antistoffen gaat vormen die de baby ziek kunnen maken. De baby merkt niets van de injectie en loopt geen enkel risico.

Na de bevalling krijg je , als je Rhesus-D-negatief bent en als je kind Rhesus-D-positief is,  binnen 48 uur (nog) een injectie met anti-Rhesus-immunoglobuline toegediend. Daardoor maakt je lichaam geen antistoffen; dat is belangrijk als je later opnieuw zwanger wordt van een Rhesus-D-positief kind. Ook in een aantal bijzondere verloskundige situaties krijgt u (extra) anti-Rhesus-D-immunoglobuline toegediend.

Zie voor meer informatie www.rhesusprik.nl

 

Rhesus c-bloedgroep

Ongeveer 18% van alle zwangeren heeft bloedgroep Rhesus c-negatief. Soms maken vrouwen met deze bloedgroep Rhesus c-antistoffen tegen het bloed van de baby als deze bloedgroep Rhesus c-positief heeft. Deze antistoffen kunnen bloedarmoede bij de baby veroorzaken. Zwangeren met bloedgroep Rhesus c-negatief krijgen daarom in week 27 van de zwangerschap bloedonderzoek op antistoffen tegen Rhesus c. Als het laboratorium Rhesus c-antistoffen vindt, wordt verder onderzoek gedaan. Je krijgt hierover dan meer informatie van ons.

 

Andere antistoffen tegen rode bloedcellen

Niet alleen als je Rhesus-D-negatief bent bestaat het risico dat je lichaam antistoffen maakt. Naast Rhesus-D-negatief kunnen ook andere antistoffen gemaakt zijn bij een eerdere zwangerschap of bij een bloedtransfusie, waaronder Kell of Duffy. Deze antistoffen kunnen de gezondheid van je baby schaden: de kans bestaat dat ze via de navelstreng en de moederkoek (placenta) het bloed van de baby bereiken en afbreken. Als deze antistoffen in je bloed zijn gevonden, wordt je bloed verder onderzocht tot duidelijk is welke dit precies zijn. Wij bespreken met je of het nodig is nog ander onderzoek te laten verrichten of je door te verwijzen.

Voor meer informatie over andere antistoffen, ga naar www.rivm.nl of www.nvog.nl en download de voorlichtingsbrochure ‘bloedgroep, rhesusfactor en irregulaire antistoffen’.

 

Syfilis

Syfilis, ook wel Lues genaamd, is een seksueel overdraagbare aandoening (soa) die iemand ongemerkt kan oplopen. In het begin van de zwangerschap beschermt de moederkoek (placenta) de baby nog tegen de ziekte. Later in de zwangerschap kan ook de baby geïnfecteerd worden. De ziekte moet daarom zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden. Als uit het bloedonderzoek blijkt dat je syfilis hebt, dan word je doorverwezen naar een arts en word je behandeld met antibiotica. Het is belangrijk maatregelen te nemen die voorkomen dat je partner of andere mensen in je (in)directe omgeving besmet raken. Hier is ook de huisarts/GGD bij betrokken.

 

Hepatitis B

Hepatitis B is een ziekte waarbij een infectie van de lever optreedt door het hepatitis B virus. Soms hebben mensen geen klachten en weten dus niet dat zij besmet zijn. Na de infectie blijft een deel van de mensen het hepatitis B virus bij zich dragen. Deze mensen worden ‘virusdragers’ genoemd; zij kunnen anderen besmetten. Als je het hepatitis B virus bij je draagt, ondervindt je baby hiervan tijdens de zwangerschap geen schade, maar tijdens de geboorte kan de baby alsnog in aanraking komen met het virus en geïnfecteerd worden. Als je virusdrager bent krijgt je baby kort na de geboorte hepatitis B immunoglobuline. Dit zijn kant-en-klare antistoffen die via een injectie worden toegediend en je kind tegen het virus kunnen beschermen. Daarnaast is het heel belangrijk dat je kind zelf afweer opbouwt tegen hepatitis B. Daarom krijgt het vaccinaties toegediend. De eerste vaccinatie binnen 48 uur na de geboorte. Daarna op de leeftijd van 2, 3, 4 en 11 maanden. Als je drager bent van het virus, bespreken wij met je hoe je de kans op besmetting van uw omgeving zo klein mogelijk kunt houden. Ook word je doorverwezen naar je huisarts en/of de GGD

 

HIV/Aids

Hiv is het virus dat de ziekte hiv/aids veroorzaakt. Je kunt met hiv besmet raken door onveilig te vrijen met iemand die met hiv is besmet, of als besmet bloed rechtstreeks in je bloedbaan terechtkomt (bijvoorbeeld bij gemeenschappelijk gebruik van naalden bij drugsgebruik). Als u met hiv besmet bent, kan dit virus tijdens de zwangerschap of bevalling via je bloed op de baby worden overgedragen, of daarna via borstvoeding. De kans op besmetting van de baby kan sterk worden verminderd door virusremmers te gebruiken tijdens de zwangerschap. Het is daarom zinvol om aan het begin van de zwangerschap een hiv-test te doen. Als de hiv-test positief is, dan ben je drager van het virus. In dat geval word je doorverwezen naar een gespecialiseerd hiv-centrum.

 

Kijk voor meer informatie op: www.rivm.nl

Bron: www.deverloskundige.nl